Inbraak in Prinsengracht 263
Tijdens de onderduik werd er verschillende keren ingebroken in het bedrijfspand van Otto Frank. In de avond van 9 april 1944 zag nachtwaker Martin Slegers dat er een deurpaneel van Prinsengracht 263 was geforceerd en waarschuwde een politieagent.
Melding van poging tot inbraak in het pand Prinsengracht 263
Stadsarchief Amsterdam Copyright: Status onduidelijk
Rond half tien in de avond van 9 april 1944 ontdekte Peter, die in de regel de deuren voor de nacht controleerde, dat aan de linkerkant van de magazijndeur een grote plank miste. Hij alarmeerde stilletjes 'de heren' en zij gingen poolshoogte nemen. Later vertelden zij de in de schuilplaats achtergebleven dames dat de inbrekers nog aan de magazijndeur wrikten toen zij vanaf de trap het pakhuis inkwamen. Van Pels riep 'politie', waarop de inbrekers vluchtten, maar niet zonder nog eens een plank van de deur te trappen.
Uiteraard was de kans groot dat de politie de geforceerde deur zou opmerken, en dat gebeurde ook. Slegers surveilleerde al jarenlang in de binnenstad langs panden waarvoor hij als nachtwaker was ingehuurd. Daarbij trof hij geregeld verdachte situaties en zijn naam duikt dan ook in tal van politierapporten op. De agent die hij waarschuwde, Cornelis den Boef, doorzocht rond kwart voor elf het pand maar trof zijn inziens niets verdachts aan. Hij rapporteerde later op de avond aan de wachtcommandant van bureau Warmoesstraat: 'Binnenshuis was van diefstal echter niets te constateeren.'[1]
Aan de andere kant van de boekenkast zaten de onderduikers in grote angst. Anne schreef in haar dagboek: 'Stappen in huis, privékantoor, keuken, dan..... onze trap, niemand ademde nu hoorbaar, 8 harten bonkten, stappen op onze trap, dan gerammel aan de draaikast. Dit moment is onbeschrijvelijk.' Tot overmaat van ramp was het deze zondag eerste Paasdag, wat betekende dat het kantoorpersoneel pas dinsdag zou komen. De onderduikers verkeerden in onzekerheid over wat er gaande was en zaten in doodse stilte bijeen in de kamer van Van Pels, in de veronderstelling dat er wel politie in het gebouw de wacht zou houden.[2]
Maandagochtend lukte het Jo Kleiman telefonisch te bereiken. Kort daarna verschenen Jan en Miep Gies, en bleek de kust - voorlopig - redelijk veilig. Van groenteman Van Hoeve hoorde Jan dat ook hij het gat in de deur had opgemerkt, maar dacht er beter geen politie bij te halen.[2]
Noten
- ^ Stadsarchief Amsterdam, Gemeentepolitie Amsterdam, toegang 5225, inv. nr. 2036: rapport bureau Warmoesstraat, 9 april 1944, mut. 23.25. Anne schreef in haar dagboek dat Jan op de elfde nog langs de politie gaat, maar daarvan is geen melding te vinden.
- a, b Anne Frank, Dagboek A, 9 april 1944, in: Verzameld werk, Amsterdam: Prometheus, 2013.